Category: Merkenrecht

3D-printing is ook onder IE-juristen al enige tijd een hot topic.

Doordat deze – overigens al tientallen jaren bestaande – technologie zich steeds sneller ontwikkelt en meer voor het grote publiek beschikbaar komt, moeten we er volgens sommigen rekening mee houden dat we binnen afzienbare tijd door de “onbegrensde mogelijkheden” van deze techniek, min of meer elk object thuis kunnen en ook zullen gaan printen.

Doordat de computerbestanden (zogeheten “CAD-bestanden”) waarmee de objecten kunnen worden geprint bovendien zeer gemakkelijk via het internet zijn te verspreiden en te downloaden, wordt er serieus rekening gehouden met een “pirate bay-scenario” zoals zich dat bij film en muziek heeft voltrokken, waardoor de producerende industrie, zonder ingrijpen van de wetgever, grote schade zou kunnen gaan lijden.

De vraag is of deze vrees geheel terecht is.

Beperkingen t.a.v. soort objecten

Zo zijn ten eerste de huidige 3D-thuisprinters geschikt om relatief eenvoudige objecten als juwelen, speelgoedpoppetjes, een behuizing van een telefoon, of een polyester hoesje van een smartphone te printen, maar is het printen van complexere objecten zoals een smartphone zelf, doordat deze bestaat uit een veelheid van verschillende onderdelen en soorten materialen, (nog) vele bruggen te ver. Het ligt ook niet in de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd anders zal gaan worden.

Beperkingen t.a.v. kwaliteit en gebruiksgemak

Daarnaast wordt vaak voorbij gegaan aan het feit dat de kwaliteit van 3D-thuisprints, door beperkingen voortvloeiend uit zowel de 3D-printer zelf, als uit het gebruikte materiaal, meestal significant afwijkt van het te reproduceren bronobject.  Ook is het maken van een 3D-print vaak een tijdrovend proces en zal er bovendien altijd een perfect CAD-bestand beschikbaar moeten zijn om (in ieder geval in theorie) überhaupt in staat te zijn om tot een exacte replica van het betreffende object te kunnen komen.

Beperkingen door hoge kosten

Ook in het geval er 3D-thuisprinters in de nabije toekomst beschikbaar zouden komen die in staat zijn om complexe(re) voorwerpen van hoge kwaliteit te kunnen printen, zullen zowel de betreffende printers, als de uit te printen objecten (als gevolg van het benodigde materiaal) waarschijnlijk zeer kostbaar zijn. Dit gegeven maakt de aanschaf en het gebruik van een dergelijke printer voor de gemiddelde consument niet direct aantrekkelijk; althans minder aantrekkelijk dan de aanschaf van namaakproducten via de reeds bestaande kanalen.

Onterechte vergelijking met streamen en downloaden van film en muziek

Als gevolg van de hiervoor beschreven beperkingen van 3D-thuisprinten, waarbij het dus in de praktijk vaak neerkomt op een kostbaar, tijdrovend proces, met een vaak teleurstellend resultaat, gaat de vergelijking met het zeer laagdrempelige illegale downloaden of streamen van films of muziek mank.

Met een illegale download of een stream van een film of muziek wordt immers door een ieder met een computer en een internetverbinding zeer snel, gratis, een exacte kopie verkregen van het origineel. Deze factoren die het illegale downloaden en streamen zeer aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk maken en verantwoordelijk zijn voor het grote “succes” ervan, ontbreken simpelweg bij 3D-thuisprinting.

Conventionele namaak grotere bedreiging

Ondanks de hiervoor beschreven (grote) beperkingen zullen de mogelijkheden ten aanzien van 3D-thuisprinten blijven toenemen en is het mogelijk dat de maakindustrie enige schade ondervindt van 3D-thuisprinten.

Een “pirate bay-achtig doemscenario” wordt mijns inziens echter onterecht voorgespiegeld en de industriële productie van namaak vanuit bijvoorbeeld China lijkt mij, ook in de toekomst, een (veel) serieuzere bedreiging vormen voor de maakindustrie.

Om af te sluiten met de “naaimachine-analogie”: ondanks de enorme hoeveelheid naaimachines wereldwijd produceert een fractie van de privébezitters zijn eigen kleren. Het is voor de meeste mensen simpelweg too much hassle.

Vragen of opmerkingen? mail: gvanrappard@vrm.legal / tel +31616356463 / www.vrm.legal

Op 23 maart aanstaande treedt de nieuwe Europese Merkenverordening grotendeels in werking. De verordening heeft betrekking op Europese merken of “Uniemerken” zoals ze zullen gaan heten.

Een aantal in het oog springende wijzigingen:

Nauwkeurigere omschrijving waren en diensten

Ondanks dat een merk in theorie een eeuwigdurend monopolie kan opleveren, wordt dit monopolie onder meer begrensd doordat een merk gedeponeerd wordt voor bepaalde waren of diensten. Dit is bijvoorbeeld de reden dat de merken “Ajax” van de voetbalclub en “Ajax” van de fabrikant van brandblussers naast elkaar bestaan.

Waar het voorheen gangbaar was dat de merkdeposant door gebruikmaking van algemene termen aangaf waarop het merk betrekking had, bepaalt de nieuwe merkenverordening dat toekomstige – maar ook huidige – merkhouders nauwkeuriger moeten aangeven op welke waren of diensten het Uniemerk precies betrekking heeft.

Versterkte positie merkhouder m.b.t. transitgoederen

De houder van een Uniemerk kan verder als gevolg van de nieuwe verordening goederen tegenhouden die de EU binnenkomen en bedoeld zijn voor doorvoer naar een land buiten de EU als deze van een zelfde merk zijn voorzien (denk aan counterfeit goederen).

De importeur kan hier vervolgens alleen iets tegen doen als hij bewijst dat de merkhouder het op de markt brengen van de (counterfeit)goederen in het land van bestemming buiten de EU niet kan verbieden. De bewijslast wordt hier dus bij de importeur gelegd, wat op het eerste gezicht goed nieuws lijkt voor de merkhouder.

Minder drempels voor non-conventionele merken

De merkenverordening maakt vervolgens een einde aan het vereiste dat een merk “vatbaar moet zijn voor grafische voorstelling”. Dit vereiste vormde, naast het vereiste van voldoende onderscheidend vermogen, een barrière voor niet visueel waarneembare tekens als geuren om voor merkbescherming in aanmerking te komen. Het is immers lastig voor een geur (in tegenstelling tot een woord of logo) om grafisch in een merkenregister te worden weergegeven.

Ondanks de schrapping van het vereiste van grafische voorstelbaarheid wordt om voor merkbescherming in aanmerking te komen wel de voorwaarden gesteld dat een teken duidelijk, nauwkeurig, op zichzelf staand, gemakkelijk toegankelijk, begrijpelijk, duurzaam en objectief is (en als zodanig uit het Europees merkenregister kan blijken). Het is dan ook zeer de vraag of een geur – als het al voldoende onderscheidend kan worden geacht – ooit aan deze voorwaarden zal kunnen gaan voldoen.

Al met al lijkt de merkhouder er met de nieuwe Europese Merkenverordening op vooruit te gaan. Of dit in de praktijk ook zo zal zijn zullen we moeten gaan zien (en wellicht ruiken).

Vragen of opmerkingen? mail: gvanrappard@vrm.legal / tel +31616356463